Huurrecht

Onderhuurder bedrijfsruimte: wat zijn je rechten?

rechten onderhuurder bedrijfsruimte

Onderhuur van bedrijfsruimte: het onduidelijke rechtsgebied waar veel misgaat

Onderhuur van bedrijfsruimte komt regelmatig voor. Een hoofdhuurder heeft meer ruimte dan nodig en verhuurt een deel door. Of een zzp'er huurt bij een collega een werkplek. De juridische positie van zo'n onderhuurder is zwak en tegelijk verrassend complex. Veel mensen denken dat huurrecht voor bedrijfsruimte werkt zoals woonruimte. Dat klopt niet. Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek behandelt huur van bedrijfsruimte totaal anders dan woninghuur. En voor onderhuurders geldt nog weer een ander regime.

Waarom dit artikel nodig is: Nederlandse rechtspraak over onderhuur van bedrijfsruimte is schaars en versnipperd. De Huurcommissie is niet bevoegd voor bedrijfsruimte. Hulp bij het Juridisch Loket blijkt in de praktijk vaak beperkt omdat het onderwerp ingewikkeld ligt. Geschillen komen vaak pas aan het licht als het al te laat is.

Wat maakt onderhuur juridisch anders dan hoofdhuur

Bij onderhuur bestaan er twee huurrelaties. De hoofdhuurder huurt van de eigenaar (verhuurder). De onderhuurder huurt van de hoofdhuurder. Die hoofdhuurder treedt dus op als onderverhuurder. Juridisch ontstaan twee aparte contracten met elk hun eigen regels.

Artikel 7:227 BW stelt dat een huurder alleen mag onderverhuren als de verhuurder daarmee heeft ingestemd. Gebeurt dit niet, dan pleegt de hoofdhuurder contractbreuk. De eigenaar kan dan ontbinding van de hoofdhuurovereenkomst vorderen bij de kantonrechter. In de praktijk tolereren eigenaren onderhuur soms stilzwijgend, vooral bij grote kantoorpanden waar meerdere huurders zitten. Maar een expliciete schriftelijke toestemming biedt veel meer zekerheid.

Voor bedrijfsruimte geldt geen wettelijke bescherming zoals bij woonruimte. Waar een huurder van woonruimte aanspraak kan maken op huurprijstoetsing en bescherming tegen willekeurige beëindiging, bestaat die zekerheid bij bedrijfsruimte niet. Artikel 7:290 BW verklaart de beschermende bepalingen van afdeling 5 (huur van woonruimte) niet van toepassing op bedrijfsruimte. Partijen zijn vrij om afspraken te maken. Die contractvrijheid geldt ook voor onderhuur.

Een onderhuurder heeft geen directe rechtsverhouding met de eigenaar. Als de hoofdhuurovereenkomst eindigt, vervalt daarmee automatisch ook de onderhuur. Dat staat in artikel 7:310 BW. De onderhuurder kan zich niet beroepen op het hoofdhuurcontract en heeft geen zelfstandig recht om in de ruimte te blijven.

Toestemming voor onderhuur: wat eigenaren kunnen eisen

Eigenaren stellen vaak voorwaarden aan toestemming voor onderhuur. Ze willen weten wie de ruimte gebruikt, voor welk doel, en of de onderhuurder betrouwbaar is. In de praktijk komen deze eisen voor:

Voorafgaande schriftelijke toestemming staat vrijwel altijd in het hoofdhuurcontract. Zonder die toestemming handelt de hoofdhuurder onrechtmatig. De eigenaar kan dan ontbinding vorderen op grond van wanprestatie (artikel 6:265 BW).

Voortzetting aansprakelijkheid blijft liggen bij de hoofdhuurder. De eigenaar heeft geen contract met de onderhuurder. Als de huur niet wordt betaald, spreekt de eigenaar de hoofdhuurder aan. Die moet dan op zijn beurt proberen het geld terug te krijgen van de onderhuurder. Veel hoofdhuurders overzien dit risico onvoldoende.

Beperking van de huurprijs komt voor. Sommige eigenaren eisen dat de onderverhuurprijs niet hoger mag zijn dan de hoofdhuurprijs. Dit voorkomt dat de hoofdhuurder speculatief handelt. In gewilde kantoorlocaties zien we dat hoofdhuurders soms willen cashen door een premie te vragen boven hun eigen huurprijs. Eigenaren willen dit vaak tegengaan omdat het waardevermindering van het pand kan betekenen.

Type bedrijfsactiviteit moet passen binnen de bestemming en het karakter van het pand. Een eigenaar die een rustig kantoorpand verhuurt, wil vaak geen horecagelegenheid of productieruimte. Dit recht om voorwaarden te stellen aan het gebruik is verankerd in de contractvrijheid en algemene eigendomsrechten uit artikel 5:1 BW.

Wat opvalt in de rechtspraak is dat eigenaren vrij zijn in het weigeren van toestemming, zolang dat niet willekeurig of in strijd met de redelijkheid en billijkheid is (artikel 6:248 BW). Een hoofdhuurder die toestemming vraagt, kan bij weigering niet veel doen. De rechter oordeelt terughoudend omdat het gaat om contractvrijheid bij bedrijfsruimte.

Rechten van de onderhuurder tijdens de huurperiode

De onderhuurder huurt van de hoofdhuurder, niet van de eigenaar. Dat bepaalt zijn rechtspositie. Hij heeft wel degelijk rechten, maar die vloeien voort uit het onderhuurcontract.

Recht op gebruik van de ruimte volgens de afspraken in het onderhuurcontract. De onderverhuurder (hoofdhuurder) moet de ruimte in bruikbare staat leveren en houden, conform artikel 7:204 BW. Als de ruimte gebreken vertoont die het gebruik belemmeren, kan de onderhuurder huurprijsvermindering vorderen of zelfs ontbinding van het onderhuurcontract eisen.

Bescherming tegen willekeurige opzegging bestaat beperkt. Bij onderhuur voor bepaalde tijd eindigt het contract automatisch na afloop. Bij onbepaalde tijd geldt de overeengekomen opzegtermijn. Staat er niets in het contract, dan geldt artikel 7:230a BW: de hoofdhuurder moet minimaal de gebruikelijke opzegtermijn hanteren. Voor bedrijfsruimte is dat vaak drie tot zes maanden, afhankelijk van lokaal gebruik en jurisprudentie.

Huurprijsbescherming ontbreekt volledig. De Huurcommissie heeft geen bevoegdheid over bedrijfsruimte. De onderhuurder kan niet klagen over een te hoge huurprijs, tenzij er sprake is van misbruik van omstandigheden (artikel 3:44 BW). In de praktijk slagen zulke claims zelden. De rechter gaat uit van het principe dat zakelijke partijen zelf hun afspraken maken.

Directe vorderingen op de eigenaar zijn er niet. Als de hoofdhuurder zijn verplichtingen jegens de eigenaar niet nakomt en de eigenaar laat daarop de nutsvoorzieningen afsluiten, treft dat ook de onderhuurder. Deze kan de eigenaar daar niet op aanspreken. Zijn enige verhaal ligt bij de hoofdhuurder, die contractbreuk pleegt jegens de onderhuurder.

In de praktijk loopt het vooral mis als de hoofdhuurder failliet gaat. De onderhuurder zit dan plots zonder contract en zonder rechtstreekse claims. De curator van de hoofdhuurder kan het hoofdhuurcontract opzeggen (artikel 39 Faillissementswet), waarmee ook de onderhuur eindigt. Voor de onderhuurder rest alleen een vordering in het faillissement, wat vaak niets oplevert.

Beëindiging van onderhuur: wanneer eindigt het recht op de ruimte

Onderhuur eindigt om verschillende redenen. Elke situatie heeft andere juridische gevolgen voor de onderhuurder.

Einde van de overeengekomen periode: bij huur voor bepaalde tijd (bijvoorbeeld één jaar) eindigt het contract automatisch. De onderverhuurder hoeft niet op te zeggen. De onderhuurder moet de ruimte ontruimen. Gebeurt dat niet, dan kan de onderverhuurder ontruiming vorderen bij de kantonrechter.

Opzegging door de hoofdhuurder: bij onderhuur voor onbepaalde tijd kan de hoofdhuurder opzeggen met inachtneming van de contractuele of wettelijke opzegtermijn. Voor bedrijfsruimte geldt geen standaard opzegtermijn. Partijen moeten dat zelf afspreken. In de rechtspraak hanteert de rechter vaak drie maanden als redelijk, tenzij gebruik of contract anders aangeven. Opzegging moet schriftelijk, conform artikel 7:230a BW. Een email of WhatsApp-bericht volstaat juridisch, maar is bewijs technisch riskant.

Beëindiging hoofdhuurcontract: dit is de meest gevaarlijke situatie voor de onderhuurder. Als de eigenaar het hoofdhuurcontract rechtsgeldig beëindigt, vervalt daarmee ook de onderhuur. De onderhuurder moet binnen de termijn die de rechter vaststelt de ruimte verlaten. Hij kan geen beroep doen op enig recht tegenover de eigenaar.

Een concrete zaak uit 2021 illustreert dit. Een hoofdhuurder verhuurde zonder toestemming een deel van een bedrijfspand onder in Amsterdam. De eigenaar ontdekte dit en vorderde ontbinding van de hoofdhuur wegens contractbreuk. De kantonrechter honoreerde dit. De onderhuurder, die daar zijn kapsalon had ingericht, moest binnen twee maanden vertrekken. Zijn investeringen in de inrichting waren verloren. Een claim op de hoofdhuurder leverde niets op omdat deze geen verhaal bood.

Faillissement of surseance: als de hoofdhuurder failliet gaat, kan de curator het hoofdhuurcontract opzeggen. Artikel 39 Faillissementswet geeft de curator de bevoegdheid om doorlopende overeenkomsten te beëindigen. Voor bedrijfsruimte geldt een opzegtermijn van drie maanden. De onderhuurder heeft geen recht om het pand te blijven gebruiken en kan alleen als concurrent crediteur opkomen in het faillissement.

Overnemen van de hoofdhuur: kan dat?

Als de hoofdhuurder stopt, wil de onderhuurder soms rechtstreeks gaan huren van de eigenaar. Juridisch is dit niet simpel.

De eigenaar moet instemmen met een nieuwe huurovereenkomst. Hij is daartoe niet verplicht. Bij bedrijfsruimte bestaat geen wettelijk recht op voortzetting zoals soms bij woonruimte (artikel 7:268 BW geldt alleen voor woonruimte). De eigenaar mag vrij kiezen met wie hij een huurcontract aangaat.

In de praktijk gebeurt overname wel regelmatig. De eigenaar heeft er soms belang bij: een lopende huurinkomst zonder onderbreking, geen zoektocht naar een nieuwe huurder, en bekendheid met de zittende gebruiker. Commercieel gezien kan dit voor beide partijen aantrekkelijk zijn.

Onderhandelingen over overname draaien vaak om deze punten:

Huurprijs: de eigenaar wil vaak een hogere prijs dan de onderhuurder gewend was. De onderhuurprijs lag mogelijk onder de markt of de hoofdhuurder rekende slechts een kostendekkend bedrag. Bij directe huur wil de eigenaar marktconforme huur.

Contractduur: eigenaren prefereren langere contracten (vijf of tien jaar) voor zekerheid over inkomsten. Onderhuurders die gewend waren aan flexibele kortlopende contracten, schrikken daar soms van.

Staat van onderhoud en aansprakelijkheid: de eigenaar wil vaak dat de nieuwe huurder de ruimte in huidige staat accepteert. Als de onderhuurder eerder verbouwingen deed (met toestemming van de hoofdhuurder maar niet de eigenaar), kan dat een struikelblok zijn.

Bankgarantie of borgstelling: voor zakelijke verhuur eisen eigenaren vaak twee tot drie maanden huur als waarborgsom, conform artikel 7:242 BW. Veel onderhuurders betaalden geen of een lagere waarborgsom aan de hoofdhuurder.

Wat de rechtspositie betreft: zolang geen nieuw contract is getekend, blijft de onderhuurder een precaire positie behouden. Mondeling akkoord met de eigenaar is niet genoeg. Pas bij een getekend huurcontract ontstaat een rechtstreekse huurrelatie.

Verhaal op de hoofdhuurder: wat kan er gehaald worden

Als de onderhuur onverwacht eindigt door toedoen van de hoofdhuurder, kan de onderhuurder schadevergoeding vorderen. De grondslag is wanprestatie: de hoofdhuurder komt zijn verplichtingen niet na.

Artikel 6:74 BW regelt dat alle schade die in voldoende causaal verband staat met de tekortkoming, voor vergoeding in aanmerking komt. Voor een onderhuurder kan dat betekenen:

Verhuiskosten en dubbele huur: als de onderhuurder plots moet verhuizen en elders tijdelijk duurder moet huren.

Omzetverlies: als een bedrijf door gedwongen verhuizing klanten verliest. Dit is moeilijk te bewijzen en eisers moeten aantonen dat de schade redelijkerwijs toerekenbaar is aan de contractbreuk.

Investeringen in de ruimte: verbouwingen, aanpassingen, inrichting die specifiek voor die ruimte is gedaan. Als deze niet meer bruikbaar zijn elders, komt dit voor vergoeding in aanmerking. Wel moet de onderhuurder hebben gehandeld zoals een redelijk handelend persoon: te grote investeringen in een onderhuurruimte zonder lange contractduur zijn voor eigen risico.

In de praktijk stuiten claims vaak op twee problemen. Ten eerste: bewijslast. De onderhuurder moet alles onderbouwen met facturen, huurcontracten elders, omzetcijfers. Ten tweede: verhaal. Als de hoofdhuurder geen vermogen heeft, levert een vonnis niets op. Een uitspraak ten gunste van de onderhuurder is waardeloos als de hoofdhuurder niet kan betalen.

Sommige onderhuurders proberen de eigenaar aansprakelijk te stellen. Dat lukt zelden. De eigenaar heeft geen contract met de onderhuurder en handelt binnen zijn rechten als hij de hoofdhuur beëindigt wegens contractbreuk door de hoofdhuurder. Artikel 6:162 BW (onrechtmatige daad) biedt geen uitkomst: de eigenaar handelt niet onrechtmatig door zijn contractuele rechten uit te oefenen.

Belangrijke clausules in een onderhuurcontract

Voor een onderhuurder is een goed contract essentieel. Veel misgaat omdat afspraken onduidelijk of niet schriftelijk zijn vastgelegd. Deze bepalingen verdienen extra aandacht:

Toestemming eigenaar: laat schriftelijk vastleggen dat de eigenaar heeft ingestemd. De hoofdhuurder moet dit kunnen aantonen. Als onderhuurder kun je eisen dat een kopie van die toestemming bij het contract wordt gevoegd. Ontbreekt die toestemming, dan loop je het risico dat de eigenaar de hoofdhuur beëindigt en jij moet vertrekken.

Duur en opzegging: maak expliciet of het gaat om bepaalde of onbepaalde tijd. Bij bepaalde tijd: vermeld de einddatum. Bij onbepaalde tijd: noteer de opzegtermijn. Schrijf ook op of stilzwijgende verlenging mogelijk is.

Huurprijs en bijkomende kosten: specificeer wat inbegrepen is. Zijn servicekosten, energie, internet apart of inbegrepen? Voor bedrijfsruimte geldt geen wettelijke regeling zoals bij woonruimte. Alles moet contractueel worden vastgelegd. Onvolledige afspraken leiden tot eindeloze discussies.

Onderhoud en reparaties: wie is waarvoor verantwoordelijk? Bij hoofdhuur rust de verplichting tot onderhoud op de verhuurder (artikel 7:204 BW). Bij onderhuur kan de hoofdhuurder dit deels afwentelen op de onderhuurder. Laat duidelijk vastleggen wat van wie wordt verwacht.

Gebruik van de ruimte: omschrijf waarvoor de ruimte mag worden gebruikt. Dit voorkomt discussies en is relevant voor eventuele aansprakelijkheid jegens de eigenaar. Als de onderhuurder de ruimte anders gebruikt dan toegestaan, pleegt hij contractbreuk.

Ontbinding hoofdhuurcontract: een verstandige onderhuurder bedingt een clausule dat bij ontbinding van de hoofdhuur wegens redenen buiten de onderhuurder, de hoofdhuurder schadevergoeding verschuldigd is. Dit biedt enige bescherming, al blijft het afhankelijk van het verhaal op de hoofdhuurder.

Waarborgsom: voor bedrijfsruimte is het gebruikelijk dat onderhuurders een waarborgsom betalen, vaak één tot twee maanden huur. Dit moet op een geblokkeerde rekening worden gezet conform artikel 7:242 BW. In de praktijk gebeurt dit bij onderhuur vaak niet, wat juridisch riskant is voor de onderhuurder.

Verschillen tussen kleine en grote bedrijfsruimtes

De juridische regels zijn gelijk, maar de praktijk verschilt enorm. Bij kleine onderhuurconstructies (een bureau in een gedeelde werkruimte, een behandelkamer in een gezondheidscentrum) zijn afspraken vaak informeel. Contracten ontbreken of zijn summier. Toestemming van de eigenaar wordt niet altijd gevraagd of verleend. Dit creëert grote risicos voor de onderhuurder.

Bij grote bedrijfsruimtes (een verdieping in een kantoorpand, een hal in een bedrijventerrein) zijn contracten doorgaans professioneler opgesteld. Vastgoedadvocaten worden ingeschakeld. Toestemming van de eigenaar wordt formeel geregeld. Toch blijven onderhuurders ook dan kwetsbaar, simpelweg omdat zij geen directe relatie met de eigenaar hebben.

Wat opvalt bij bestuderen van jurisprudentie over bedrijfsruimtehuur: geschillen gaan zelden over grote professionele partijen. Die regelen het onderling of via arbitrage. Zaken die bij de rechter komen, betreffen vaak kleinere ondernemers of zzp'ers die niet goed geadviseerd waren en in een kwestie verzeild raakten die ze niet zagen aankomen.

Specifieke situaties: flexwerken en coworking

Coworkingspaces zijn populair. Juridisch is de constructie vaak onduidelijk. Soms gaat het om huur van een werkplek, soms om een licentie om de ruimte te gebruiken. Dat onderscheid is cruciaal.

Bij huur gelden de regels van Boek 7 BW. De gebruiker heeft rechten als huurder, bijvoorbeeld aanspraak op herstel van gebreken en opzegtermijnen. Bij een licentieconstructie gelden die regels niet. De exploitant kan de toegang vaak direct beëindigen bij wanbetaling of andere contractbreuk.

Veel coworkingspaces hanteren bewust een licentieconstructie om flexibiliteit te behouden. Juridisch gezien ontwijken zij daarmee huurrecht. Voor de gebruiker betekent dit minder bescherming. Bij een geschil moet de rechter beoordelen of er toch sprake is van huur (wat afhangt van de feitelijke situatie, niet alleen de benaming in het contract). Artikel 7:201 BW definieert huur als het ter beschikking stellen van een zaak tegen een tegenprestatie. Als aan die criteria wordt voldaan, is er huur, ongeacht wat partijen het noemen.

Een zaak uit 2020 betrof een zzp'er die een vast bureau in een coworkingspace huurde. De exploitant noemde het een "membership" en geen huur. De zzp'er betaalde maandelijks een vast bedrag voor exclusief gebruik van een werkplek. Na een conflict over geluidsoverlast zette de exploitant de zzp'er er direct uit. De kantonrechter oordeelde dat er sprake was van huur. De exploitant had moeten opzeggen met een redelijke termijn. De zzp'er kreeg schadevergoeding voor gederfde omzet.

Wanneer een advocaat inschakelen

Bij onderhuur van bedrijfsruimte is juridische bijstand vaak noodzakelijk. Deze situaties vereisen professioneel advies:

Voor het tekenen van een onderhuurcontract: laat een advocaat of juridisch adviseur het contract beoordelen. De kosten (vaak enkele honderden euro's voor een beoordeling) wegen niet op tegen de risico's van een slecht contract.

Bij weigering van toestemming door de eigenaar: als de hoofdhuurder geen toestemming krijgt en de onderhuurder daar schade van ondervindt, is juridisch advies nodig over eventuele verhaalsmogelijkheden.

Bij gedwongen ontruiming: als de eigenaar ontbinding vordert van de hoofdhuur en de onderhuurder moet vertrekken, is verweer vaak zinloos maar kan een advocaat soms uitstel bedingen of een schikking treffen over vertrekvergoeding.

Bij schadeclaims tegen de hoofdhuurder: deze zaken zijn feitelijk en juridisch complex. Bewijs moet worden verzameld, schade moet worden berekend, en vaak is een procedure nodig. Zonder advocaat redden onderhuurders het niet.

Het Juridisch Loket kan eerste advies geven, maar heeft beperkte expertise op dit vlak. Rechtsbijstandsverzekeringen dekken zakelijke geschillen vaak niet. Veel zzp'ers en kleine ondernemers hebben geen rechtsbijstand voor bedrijfsmatige zaken. Dat maakt de stap naar juridische hulp financieel zwaar, maar soms onvermijdelijk.

Wat werkt niet: misvattingen over rechten bij onderhuur

Veel onderhuurders denken dat ze meer rechten hebben dan in werkelijkheid het geval is. Deze denkfouten komen regelmatig voor:

"De eigenaar kan mij niet zomaar uit de ruimte zetten": dat kan hij wel, als de hoofdhuur rechtsgeldig is beëindigd. De onderhuurder heeft geen directe rechten tegenover de eigenaar.

"Ik huur al jaren, dus heb ik recht op verlenging": dat geldt voor woonruimte onder bepaalde voorwaarden, maar niet voor bedrijfsruimte. Bij bedrijfsruimte is verlenging alleen mogelijk als beide partijen dat willen.

"De Huurcommissie kan de huurprijs toetsen": de Huurcommissie is alleen bevoegd voor woonruimte. Bij bedrijfsruimte niet.

**"

Disclaimer. De informatie op deze website is uitsluitend bedoeld voor informatieve doeleinden en vormt geen juridisch advies. Raadpleeg bij twijfel altijd een advocaat of juridisch adviseur.
WetUitleg redactie
Gecontroleerd door WetUitleg.nl redactie
Gebaseerd op officiële bronnen: Rechtspraak.nl, Rijksoverheid, Wetboek Online, Juridisch Loket.
Meer over onze werkwijze →
Verder lezen

Gerelateerde onderwerpen

Meer in Huurrecht

Lees ook